"Je raakt een beetje afgestompt"
Bij Sara wonen 4 + 2 kinderen. Zelf is ze met haar 19 jaar de oudste van het stel. Sara vindt zes kinderen in huis eigenlijk niet zoveel. Toen ze nog aan crisisopvang deden waren er vaak meer. Met die kinderen wamen er ook veel pleegzorgwerkers over de vloer. Het is belangrijk dat die ook naar de eigen kinderen luisteren, vindt Sara. En niks opdringen als de kinderen niet willen praten. Het verhaal van een doorgewinterde pleegzus.
Ons gezin
‘Ik was negen toen we ons eerste pleegkind kregen. Ik heb nu drie jongere zusjes, een
pleegzusje en een pleegbroertje van vier jaar, een tweeling. Ze wonen vanaf hun
geboorte bij ons en ze blijven tot ze volwassen zijn. Mijn moeder zegt altijd: “Wij
hebben vier kinderen plus twee”. Dat was wel eens heel anders. Tot anderhalf jaar
geleden waren wij crisis- en kortverblijfgezin. Toen hadden we van nul tot vijf pleegkinderen
in huis. Soms voor een paar dagen en soms een paar maanden. Ik wilde altijd
de oudste van alle kinderen blijven. Dat gebeurde ook zo, behalve een keertje. Als oudste
kind ben je toch de wegbereider oor de jongere kinderen. Dat vond ik belangrijk.
De tweeling was tien dagen oud toen ze bij ons kwamen en ze zouden eigenlijk voor enkele
dagen bij ons blijven. Dat werden weken en maanden. Er werd geen goede plek voor
hen gevonden. Toen hebben we met z’n allen besloten om ze te houden.’
Luisteren
‘In het begin kwam de pleegzorgwerker met mijn zusjes en mij praten. Dan zaten
we een beetje op ons bed en we wisten niets te zeggen. Toen hebben we aangegeven
dat het niet meer hoefde. Onze pleegzorgwerker zat er toch bijna elke dag en
als je wilde praten, kon dat. De pleegzorgwerker komt nu alleen nog langs om met mijn
ouders over de tweeling te praten. Niet meer met ons, eigen kinderen. Daar hebben we
ook geen behoefte aan. Ze zijn gewoon ons broertje en zusje. Er komt ook niemand praten
over mij of mijn ‘echte’ zussen.
Toen we nog crisis en kortverblijf deden, kregen we op een gegeven moment helemaal
geen time-out meer van de pleegzorg. Eerder overlegden we altijd samen of we klaar
waren voor weer een pleegkind. We hadden toen ook wel eens twee maanden geen
pleegkind in huis. Steeds vaker was het zo dat het ene kind kwam en het andere
ging. Het kwam voor dat we vijf pleegkinderen in huis hadden, twaalf plaatsingen
in één maand. De ene moeilijke plaatsing na de andere. Daar had ik geen zin meer
in. Ik heb toen tegen mijn ouders en de pleegzorgwerker gezegd dat ik het niet meer
wilde. We hebben er veel over gepraat. De plaatsingen zijn nog een tijdje doorgegaan
maar na een half jaar is het gestopt. Dat is nu anderhalf jaar geleden. Er is goed naar
mij geluisterd door de pleegzorg en door mijn ouders.’
Verschil
‘Er is voor mijn gevoel een groot verschil tussen de tweeling en de andere pleegkinderen.
De tweeling voelt als een echt broertje en zusje. Ik hoop dat zij later ook zo over
ons voelen. Zij hebben vanaf het begin onze gebruiken, onze gewoonten, herinneringen.
Ik hoop dat ze nooit “Jij bent mijn moeder niet” tegen mijn moeder gaan
zeggen. Ik denk dat mijn moeder vele malen meer hun moeder is dan hun biologische
moeder. Ik zou het respectloos vinden. Ik kan ook niet verdragen als iemand zegt
dat het ‘maar’ pleegkinderen zijn. Alsof ze minder zijn dan eigen kinderen.
Dat iemand de indruk heeft dat ik daarom minder om ze zou geven
of dat ze minder waard zouden zijn voor mij. Buitenstaanders denken wel
eens zo.’
Spuien
‘José, onze pleegzorgwerkster, was zelf pleegouder. Dat scheelt, denk ik.
Als ik ergens problemen mee had, ging ik altijd naar haar. Ik kon mijn verhaal
bij haar kwijt. Als pleegkinderen ‘onmogelijk’ waren, kon ik dat tegen
haar vertellen. Vaak was er niets wat zij er aan kon doen, het was meer
belangrijk dat ik kon spuien. Ik kon dingen zeggen waarvan een buitenstaander
zou schrikken. Bijvoorbeeld dat ik ze achter het behang wilde plakken of
ze een dreun verkopen. Zij snapte wel dat ik zoiets nooit zou doen.’
Meeleven
‘Het lijkt me prettig om contact te hebben met andere eigen kinderen in
pleeggezinnen. Vriendinnen en klasgenoten begrijpen veel dingen niet.
Iemand die zelf eigen kind is, heeft maar een half woord nodig. Ik heb er
van gehoord dat dit lotgenotencontact wel bestaat. Pleegkinderen worden
door buitenstaanders vaak zielig gevonden. Dat vind ik helemaal niet. Ik vind
het wel vervelend wat ze hebben meegemaakt.
Als een pleegkind op een vervelende manier wegging, bijvoorbeeld door weg
te lopen, kon ik daar met de pleegzorgwerker over praten. Maar als je het
vaker hebt meegemaakt, doet het je niet zoveel meer. Je went er aan. Als ik
verhalen van mensen hoor waar het slecht mee gaat, denk ik: “Stel je niet
zo aan” of “Is dat alles?” Verhalen die wel degelijk erg zijn, vind ik niet
meer erg. Ik heb al zóveel gehoord! Ik merk dat ik minder goed kan meeleven
met iemand. Ik heb zoiets van: “Och dat heb ik al zo vaak gehoord.”
Terwijl het echt heel vervelend voor iemand is. Je raakt een beetje afgestompt.
Ook als een pleegkind dreigt met zelfmoord. Dan denk ik: “Ja, ja dat zal wel!”’
Afstand
‘De tijdelijke pleegkinderen hield ik op afstand. Ik wist wel eens dingen van
ze die niemand anders wist. Ik vertelde dat altijd tegen mama. Meestal zei
ik tegen het pleegkind dat ik dit tegen mama ging vertellen. Als hij of zij dat
echt niet wilde, deed ik het toch. Ik had er geen moeite mee om het door
te vertellen. Ik had geen band met ze, niet omdat ik ze niet aardig vond
maar omdat ze toch altijd weer weg gingen.’
Interview: Anja, Annet, Derk en Mar-Li